Architectenportretten

Waarom architectenportretten?

Stichting Bibliografieën en Oeuvrelijsten Nederlandse Architecten en Stedenbouwkundigen (BONAS), verwoordt het als volgt:

“De inrichting van de gebouwde omgeving staat in Nederland op een hoog peil. Velen kennen beroemde, in hun tijd vaak spectaculaire projecten als Zocher’s Vondelpark, de Beurs van Berlage, Van der Vlugt’s Van Nellefabriek, of de Erasmusbrug van Van Berkel. Veel andere namen echter, ook van ontwerpers waarvan het werk zeer gewaardeerd wordt, raken slechts in vakkringen bekend en verdwijnen naderhand weer uit het gezichtsveld. Wanneer er dan ook geen archieven meer resten, dan is het moeilijk van zulke ontwerpers de oeuvres te reconstrueren en de uitgangspunten te achterhalen waarop zij hun ontwerpbeslissingen baseerden. Zo verliest de omgeving langzamerhand een stukje identiteit”.


Waarom Nóórd-Nederlandse architecten?

Het lijkt wel of de kennis over en de belangstelling voor Nederlandse architectuur zich beperkt tot de Randstad, alsof er alleen in de Randstad maar interessante architectuur ís.

We kunnen daar alleen verandering in brengen als (bijvoorbeeld) wij noorderlingen laten zien dat hier in het noorden juist een schat aan architectuur is, ontworpen en gebouwd door geweldige, Noord-Nederlandse architecten.

De benaming ‘Noord-Nederlandse’ architect moet overigens niet als een inperking worden gezien. Het gaat om architecten die in het noorden gebouwd hebben, ook als ze daar niet vandaan kwamen of niet altijd gebleven zijn.


Waarom dit project?

Hoewel architectuur, nee omdát architectuur overal om ons heen is, zijn de meeste mensen zich daar nauwelijks van bewust. Dat heeft alles te maken met het feit dat architectuur een toegepaste kunstvorm is. Vormgeving met een duidelijk doel én met duidelijke beperkingen.

En dat is precies wat we met deze tentoonstellingen over het voetlicht willen zien te krijgen: wat ís architectuur nu eigenlijk. Het gaat om het ontwerpen van gebouwen, gebouwen die ergens voor zijn, die een functie hebben. Maar gebouwen hebben ook zeggingskracht, gebouwen spreken ons aan, spreken zelfs tegen ons, om Alain de Botton te citeren. Als we willen luisteren tenminste. Want het gaat bij de Botton niet zozeer over historische of stijlreferenties, maar over “…wat ze op antropomorfe, overdrachtelijke of plastische wijze uitdragen.” Hij vervolgt met het idee van een woordenboek, waarin “…vormen en expressiemiddelen systematisch werden gekoppeld aanemoties en ideeën.”

Maar dan zijn we al bij de interpretatie, terwijl we eigenlijk nog niet eens hebben leren kijken. Want welke ‘uitdrukkingsmiddelen’ heeft een architect nu eigenlijk tot zijn beschikking? En welke eisen stelt het gebruik, de functie van een gebouw? En de omgeving, hoe past het gebouw daar in?